Van Sterke Start naar Stilvallen

Het begint altijd zo goed

September. Een nieuwe groep kleuters. Misschien zestien, misschien negentien kinderen. Je kent ze al snel bij naam. Je ziet wie onzeker binnenkomt, wie meteen op verkenning gaat, wie een knuffel nodig heeft voor het spelen kan beginnen. Er is ruimte, letterlijk en figuurlijk, om écht aanwezig te zijn.

En dan begint de instroom. In oktober komt er eentje bij. In november nog twee. Na de kerstvakantie weer een handvol. Voor je het weet sta je voor 27, 29, of meer dan 30 kleuters. De groep die in september nog overzichtelijk was, voelt nu als een constante uitdaging in organiseren en bewaken.

Je blijft je best doen, dat is niet het punt. Maar je merkt dat je anders werkt. Je reageert meer dan je begeleidt. Je beheert meer dan je speelt. De aandacht die je aan elk kind wilt geven, verdunt steeds verder. En dat gevoel klopt: het is niet jouw tekort, het is een structureel probleem.

Dit is typisch Nederlands, maar het hoeft niet zo te zijn. Internationaal is er een duidelijke wetenschappelijke consensus: grote kleutergroepen kosten kwaliteit. In dit artikel lees je wat het onderzoek laat zien, en waarom dat vraagt om concrete keuzes op schoolniveau en in beleid.

Wat de wetenschap laat zien

Minder kinderen, meer leren

In 2017 verscheen een grote internationale studie die tientallen jaren onderzoek naar groepsgrootte samenvoegde (Bowne et al., 2017). De conclusie was opvallend helder: groepsgrootte doet er toe, maar niet op elke plek even sterk.

De onderzoekers ontdekten dat groepsgrootte niet geleidelijk werkt. Het is geen kwestie van “hoe kleiner, hoe beetje-bij-beetje beter”. Het effect zit in twee specifieke kantelpunten, plekken waar de omstandigheden in de klas écht anders worden:

Groepen van 15 of minder kinderen. Zodra een groep onder die grens zakt, leverde elk kind minder in de groep meetbare leerwinst op. Dat klinkt logisch, maar het bijzondere is hoe groot dat effect is: vergelijkbaar met wat je ziet bij intensieve remediërende programma’s of individuele begeleiding. Niet door een andere methode, niet door een betere leerkracht, maar puur door de groep kleiner te maken.

Een ratio van 1 volwassene op maximaal 7,5 kinderen. Dit is het punt waarop de cognitieve vooruitgang het sterkst was. Minder dan 8 kinderen per volwassene klinkt misschien als een utopisch ideaal, maar het laat zien waar de interactie in de klas écht verandert: de leerkracht kan elk kind zien, elk gesprek aangaan, elk leermoment pakken.

Boven die drempelwaarden werd het verband minder eenduidig. Dat betekent niet dat een groep van 22 even goed werkt als een groep van 30, maar het zegt wel iets over waar de grootste winst te halen valt.

Waarom zijn die effecten zo sterk? Onderzoek naar wat er daadwerkelijk in de klas verandert bij kleinere groepen geeft het antwoord: leerkrachten voeren meer rijke gesprekken met individuele kinderen, reageren sneller en warmer op signalen, en hebben meer ruimte voor doelgerichte spelbegeleiding. Die ingrediënten, nabijheid, responsiviteit, taal, zijn precies wat kleuters nodig hebben om zich te ontwikkelen. In grote groepen verdampen deze basis ingrediënten als eerste.

Wat zegt de OECD?

De OECD vergeleek in 2023 onderwijssystemen wereldwijd. Landen waar kleuters het goed doen, hebben doorgaans één volwassene op 8 tot 12 kinderen. Het OECD-gemiddelde ligt op 9:1. Nederland zit daar ruim boven en dat is te zien in de kwaliteit van de interactie in de klas. (OECD, 2023a)

Wat een leerkracht anders doet in een kleine groep

Het gaat niet alleen om leeruitkomsten. Het gaat om wat er dagelijks in de klas gebeurt: de kwaliteit van de gesprekken, de warmte, de aandacht per kind.

Onderzoek laat zien dat leerkrachten in kleinere groepen structureel anders werken. Ze hebben meer tijd voor rijke taalgesprekken, zijn responsiever op wat een kind nodig heeft, kunnen spel doelgericht begeleiden, en zien gedragsproblemen eerder aankomen. Niet omdat ze beter zijn, maar omdat de groepsgrootte het mogelijk maakt. (CEELO, z.d.)

In een grote groep draait het snel om beheer: wie zit er goed, wie loopt weg, wie heeft ruzie. In een kleine groep is er ruimte voor begeleiding: wat probeert dit kind te ontdekken, hoe kan ik daarop aanhaken, wat zegt dit gedrag over wat het nodig heeft?

Dat verschil is niet triviaal. Spel is de taal van kleuters. Als een leerkracht te druk is om dat spel echt te begeleiden, mis je het meest krachtige leermoment van de dag.

Het meest overtuigende experiment ooit

In de jaren tachtig deed de Amerikaanse staat Tennessee iets wat onderzoekers zelden kunnen: ze wezen willekeurig bijna 6.500 leerlingen, van kleuterklas tot en met groep 3, toe aan kleine klassen (13–17 leerlingen) of grote klassen (22–25 leerlingen). Dit experiment, bekend als Project STAR, liep vier jaar. (Finn & Achilles, 1990, 1999)

De uitkomsten waren opvallend:

  • Kinderen in kleine klassen presteerden beter op lezen, rekenen en studievaardigheden.
  • Het voordeel was het grootst voor kinderen uit kwetsbare gezinnen en minderheidsgroepen.
  • En: de effecten hielden aan, ook jaren nádat kinderen terugkeerden naar normale klassen.

Wat dit experiment zo krachtig maakt: door de willekeurige toewijzing weten we dat het verschil echt door de groepsgrootte komt, niet door betere leerkrachten, rijkere ouders of toevallig slimmere kinderen.

Eén belangrijk voorbehoud

Het STAR-experiment vergeleek klassen van 13–17 met klassen van 22–25. Dat is een reductie van zo’n 35%. Econoom Hanushek (1999) wees erop dat je deze resultaten niet zomaar kunt doortrekken naar kleinere stappen, zoals van 30 naar 25 kinderen. De stap naar 15 heeft de sterkste wetenschappelijke basis; de stap naar 20 is beleidsmatig goed te verdedigen en internationaal gebruikelijk.

Wat grote organisaties wereldwijd hierover zeggen

In 2024 publiceerden UNESCO en UNICEF hun eerste gezamenlijke wereldrapport over vroegkinderlijke educatie. De conclusie was helder: de kwaliteit van vroeg onderwijs hangt wereldwijd samen met dezelfde factoren: groepsgrootte, personeel-kind-ratio, opleiding van leerkrachten, stabiliteit van teams, en de rijkheid van de leeromgeving. (UNESCO & UNICEF, 2024)

Dat rapport richt zich ook op landen waar kinderen überhaupt nog geen toegang hebben tot vroegkinderlijk onderwijs. De Nederlandse situatie is anders: hier zit vrijwel elk kind op school. Maar de kwaliteitsfactoren die dit rapport benoemt, zijn universeel. En groepsgrootte staat daar steevast bovenaan.

Te grote groepen maken ook je team kapot

Er is nog een kant die zelden genoeg aandacht krijgt: wat grote kleutergroepen doen met leerkrachten.

Uit internationaal vergelijkend onderzoek onder kleuterleerkrachten (OECD, 2021) blijkt dat overbelasting het vaakst wordt veroorzaakt door drie dingen: te veel kinderen per volwassene, een te breed takenpakket, en te weinig ondersteuning. Het resultaat is bekend: minder kwaliteit in de klas, meer verzuim, en uiteindelijk uitstroom van ervaren mensen.

In Nederland is het lerarentekort al een groot probleem. Grote kleutergroepen maken dat probleem erger. Wie 30 kleuters elke dag begeleidt, spelend, ruziënd, huilend, lachend, allemaal tegelijk houdt dat niet onbeperkt vol. Investeren in kleinere groepen is dus ook investeren in je team.

Het is een keuze, geen natuurverschijnsel

Ieder schooljaar start goed. En 6 maanden later, ieder schooljaar weer, hebben we een leerkracht voor een groep staan die te groot is geworden om goed te begeleiden. Dat is geen toeval. Dat is beleid.

De wetenschap is niet ingewikkeld: kleine groepen werken beter. Kleuters leren meer, voelen zich veiliger, en ontwikkelen zich sterker als er genoeg ruimte en aandacht per kind is. Leerkrachten werken beter, houden het langer vol, en kunnen doen waar ze goed in zijn: kinderen begeleiden, niet bewaken.

De grens van 15 heeft de sterkste wetenschappelijke basis. De grens van 20 is internationaal gebruikelijk en goed verdedigbaar. De Nederlandse praktijk van 27–30+ kleuters per groep staat daar ver van af, en dat verschil heeft gevolgen, elke dag opnieuw.

Het is tijd voor structurele keuzes: maximaal 20 kleuters per groep, betere ratio’s, en meer handen in de klas. Niet als ideaal voor later. Maar als norm voor nu.

Wat kan er concreet anders?

Hieronder staan vijf aanbevelingen, gebaseerd op internationale onderzoeksliteratuur. Ze zijn bedoeld voor schoolleiders en beleidsmakers die willen weten: waar begin je, en wat zegt het onderzoek hierover?

1. Stel een maximum in: maximaal 20 kleuters per groep

Dit is de meest directe maatregel. De grootste kwaliteitswinst treedt op bij groepen onder de 20 kinderen. Bekende effectief bevonden programma’s in de VS, zoals die in Boston, New Jersey en Oklahoma werken allemaal met maximaal 20 kinderen en een ratio van 1:10 of beter. Een wettelijke bovengrens van 20 is wetenschappelijk goed te verdedigen. (Bowne et al., 2017; CEELO, z.d.)

2. Streef naar een ratio van 1:10 in groep 1 en 2

Eén volwassene op tien kleuters is internationaal het ijkpunt voor kwaliteit. De beste onderwijssystemen ter wereld zitten op 1:8 tot 1:12. Nederland zit daar nu structureel boven. Een norm van 1:10 is realistisch, en maakt aantoonbaar verschil in de interactiekwaliteit. (OECD, 2023a)

3. Zet standaard een tweede volwassene in bij groepen boven de 16

Een tweede paar handen in de klas, een onderwijsassistent of jonge-kind-specialist, is geen luxe, maar een kwaliteitseis. Internationaal onderzoek laat zien dat de combinatie van kleine groepen én goed opgeleid personeel het sterkst werkt. Op dit moment is ondersteuning in de kleuterklas veelal uitzondering; het zou de regel moeten zijn. (UNESCO & UNICEF, 2024; OECD, 2023b)

4. Maak ruimte voor spelbegeleiding

Spel is het leermiddel van de kleuterklas, maar doelgericht spel begeleiden kost tijd per kind. In grote groepen heeft een leerkracht die tijd simpelweg niet. Onderzoek laat zien dat leerkrachten in grote groepen meer corrigerend en reactief werken, en minder proactief begeleidend. Structureel kleinere groepen zijn de voorwaarde om goed kleuteronderwijs te geven. (CEELO, z.d.)

5. Behandel de kleuterjaren als fundament, niet als opstapje

Wat er in groep 1 en 2 gebeurt, heeft effect op de lange termijn. Kinderen die in kleine klassen zaten, presteerden jaren later nog beter dan leeftijdsgenoten in grote klassen, zelfs nadat ze waren teruggegaan naar normale groepen. (Finn & Achilles, 1999) Vroeg investeren werkt: het is goedkoper en effectiever dan later repareren.

Download het artikel hier

Bronnen

Alle bronnen zijn wetenschappelijk getoetst en vrij toegankelijk via de onderstaande links.

Bowne, J. B., Magnuson, K. A., Schindler, H. S., Duncan, G. J., & Yoshikawa, H. (2017). A meta-analysis of class sizes and ratios in early childhood education programs. Educational Evaluation and Policy Analysis, 39(3), 407–428. https://doi.org/10.3102/0162373716689489

CEELO. (z.d.). Why does class size matter? Center on Enhancing Early Learning Outcomes. https://ceelo.org/toolkit/cpqr/class-size/

Finn, J. D., & Achilles, C. M. (1990). Answers and questions about class size: A statewide experiment. American Educational Research Journal, 27(3), 557–577. https://doi.org/10.3102/00028312027003557

Finn, J. D., & Achilles, C. M. (1999). Tennessee’s class size study: Findings, implications, misconceptions. Educational Evaluation and Policy Analysis, 21(2), 97–109. https://doi.org/10.3102/01623737021002097

Hanushek, E. A. (1999). Some findings from an independent investigation of the Tennessee STAR experiment. Educational Evaluation and Policy Analysis, 21(2), 143–163. https://doi.org/10.3102/01623737021002143

NIEER. (2019). Class size in preschool: New findings add to what we know. National Institute for Early Education Research. https://nieer.org/research-library/class-size-preschool

OECD. (2021). TALIS Starting Strong 2018: Results and key issues for quality and conditions of the ECEC workforce. OECD Publishing. https://doi.org/10.1787/1882a5b7-en

OECD. (2023a). Education at a Glance 2023: OECD Indicators. OECD Publishing. https://doi.org/10.1787/e13bef63-en

OECD. (2023b). Starting Strong VI: Supporting meaningful interactions in early childhood education and care. OECD Publishing. https://doi.org/10.1787/f47a06ae-en

Perlman, M., Fletcher, B., Falenchuk, O., Brunsek, A., McMullen, E., & Shah, P. S. (2017). Child-staff ratios in early childhood education and care settings and child outcomes. PLOS ONE, 12(1). https://doi.org/10.1371/journal.pone.0170256

Ruopp, R., Travers, J., Glantz, F., & Coelen, C. (1979). Children at the center: Final report of the National Day Care Study. Abt Associates.

UNESCO & UNICEF. (2024). Global report on early childhood care and education: The right to a strong foundation. UNESCO Publishing. https://doi.or

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *